Geslacht: Crotalus en Sistrurus (meer dan 50 verschillende soorten)
Geografische informatie
De ratelslang komt voor in alle Zuid-Amerikaanse landen (met uitzondering van Ecuador en Chili) en op een aantal Caribische eilanden.
Uiterlijk
Twee grote giftanden aan de voorzijde van de bek.
Stevige tanden in beide kaken.
De verschillende soorten ratelslangen verschillen aanzienlijk in afmetingen en patronen.
De grotere soorten kunnen wel 2,5 meter lang worden.
Het gemeenschappelijke kenmerk is de ‘ratel’ aan het uiteinde van hun staart.
Ratelslangen vervellen een aantal keren per jaar en bij elke vervelling wordt er een nieuw segment aan hun ratel toegevoegd.
Giftigheid
Zeer giftig. Doorgaans hemotoxisch (vernietigt de rode bloedcellen), hoewel sommige tropische soorten neurotoxisch gif hebben (beschadigt het zenuwweefsel). Mogelijk fataal.
Beet
Meestal twee tandafdrukken op de plek van de beet.
Rond de plek van de beet ontstaat een zwelling en een bloeduitstorting; de snelheid waarmee dit ontstaat, is afhankelijk van de hoeveelheid geïnjecteerd gif.
Ontwikkeling
Ratelslangen leggen geen eieren; de jongen worden levend geboren.
Jonge ratelslangen zijn vanaf de geboorte onafhankelijk en kunnen zelf in hun voedsel voorzien.
De meeste ratelslangen paren in het voorjaar.
Bij pasgeboren ratelslangen werkt de ratel nog niet. Pas na de eerste vervelling is de ratel functioneel.
Leefwijze
De ratelslang leeft doorgaans op droge savannes.
Als hij mensen tegenkomt, zal hij zich meestal van hen verwijderen, maar niet altijd! Hij valt over het algemeen alleen aan als hij in het nauw wordt gedreven of wordt lastig gevallen.
Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine dieren, zoals konijnen, ratten, muizen, enz.
De ratelslang doodt zijn prooi niet door hem te wurgen, maar door hem te injecteren met gif.
Bijzonder is dat deze slang kan aanvallen zonder de S-vorm aan te nemen, zoals de meeste slangen doen. Hij kan een prooi aanvallen die zich op een afstand bevindt van twee derde van zijn eigen lengte.
Ratelslangen zijn vaak te vinden onder keien en boomstronken, maar liggen ook graag op paden om zich te koesteren in de zon.