Komt voor in Afrika; in het gebied ten zuiden van de Sahara.
Uiterlijk
Op de kop een donkerbruine of zwarte V-vorm waarvan de punt naar voren wijst en tussen de ogen eindigt.
De kleur varieert van lichtbruinig-roze tot lichtgrijs.
Donker, ruitvormig patroon op de rug en de staart. Soms is dit patroon witgerand.
Volwassen exemplaren hebben een gemiddelde lengte van 0,5 meter en zijn slechts in enkele gevallen langer dan 1 meter.
Het lichaam is cilindrisch en tamelijk slank.
De gifklieren zijn buitengewoon lang (maximaal 10 cm) en bevinden zich aan weerszijden van de ruggengraat en staan in verbinding met de giftanden.
Kan slecht zien, maar heeft een sterk ontwikkeld reukvermogen.
Wordt vaak verward met de eieretende slang (Dasypeltis).
Giftigheid
Cytotoxisch (beschadigt de lichaamscellen).
Het gif heeft een relatief lage toxiciteit.
Beet
Buitengewoon pijnlijk met zwelling ter plaatse van de beetwond.
Ontwikkeling
Eierleggend; vrouwtjes leggen meer dan één keer per jaar eieren; maximaal 24 eieren per keer.
De broedperiode bedraagt ongeveer 4 maanden.
De pasgeboren jongen zijn gemiddeld 12,5 cm lang.
Leefwijze
Hij geeft de voorkeur aan vochtige of natte leefgebieden en maakt zijn woonplaats meestal onder stenen of boomstronken en in oude termietenhopen; vaak dichtbij een rivier of een meer.
Een zeer traag bewegende, niet-agressieve slang.
Valt alleen aan wanneer hij in het nauw wordt gedreven of wordt lastig gevallen.
Overdag koestert hij zich in de zon en 's nachts gaat hij op jacht.
Zijn voedsel bestaat bijna uitsluitend uit kikkers en padden.