Eieretende slang

Dasypeltis

Geografische informatie

Afbeelding Slangen
  • Komt voor in heel Afrika.

Uiterlijk

  • Heeft maar een paar tanden; deze zijn massief en ongevaarlijk.
  • Geen giftanden.
  • Grote variatie in patronen en kleuren; variërend van verschillende kleuren bruin en groen tot effen donkergrijs.
  • Donkere V-vorm in de nek, waarvan de punt naar de snuit wijst.
  • Tamelijk slanke slang met kleine kop die ter plaatse van de snuit afgerond is.
  • De buik van bruine slangen is meestal roomgeel en die van grijze slangen wit.
  • De lengte varieert van 50 tot 150 cm.
  • Wordt vaak verward met de padadder (Causus rhombeatus).

Giftigheid

  • Niet giftig.

Ontwikkeling

  • Het vrouwtje legt 6 tot 12 eieren.
  • De broedperiode bedraagt ongeveer 3 maanden.
  • De pasgeboren jongen zijn 14 tot 21 cm lang.
  • De eieretende slang is na ongeveer 2 jaar geslachtsrijp.

Leefwijze

  • De eieretende slang leeft vaak in bossen of op andere plaatsen waar grote aantallen nestelende vogels leven.
  • Hij is een zeer goede klimmer.
  • Sterk ontwikkeld reukvermogen; eet geen rotte eieren of eieren die naar zijn smaak al te ver ontwikkeld zijn.
  • Slikt eieren heel door, maar plet de schaal en braakt deze weer uit.
  • Extreem nerveuze soort die de confrontatie niet aangaat.