Donkerbruin lichaam, plomp, bijna cilindervormig, 2 tot 3,7 mm lang.
Voelsprieten worden breder naar het uiteinde toe, de laatste 3 segmenten zijn aanzienlijk groter en eindigen in duidelijk gevormde antenneknuppels.
Het bultige borststuk verbergt de kop en heeft tandvormige inkepingen in de afgeronde voorkant. Twee grote deuken achteraan het borststuk.
De vleugelschilden zijn bedekt met kleine kuiltjes en borstelige haren.
Levenscyclus
Het wijfje legt 27–35 eieren in het voedselsubstraat, de larven komen uit en boren zich in de plant.
De larve ondergaat tot 4 ontwikkelingsfasen en verpopt zich in de plant.
De levenscyclus kan onder goede omstandigheden (35 °C, 75% relatieve vochtigheid) amper 60 dagen bedragen, wat tot meerdere voortplantingen per jaar kan leiden.
Gewoonten
De larve leeft van bamboestokken, maar van de snuitkever is geweten dat hij zich ook in de maniokwortel voortplant.
De larve maakt ronde boorgangen in de plantvezels en laat een perfect rond gaatje achter wanneer ze de plant verlaat.
Deze Oost-Aziatische soort komt bij ons binnen via scheepsladingen (bijvoorbeeld tapiocaproducten), houten verpakkingen en zelfs houten muziekinstrumenten.