Steeds een gekwalificeerde medewerker bij u in de buurt

Snelle, discrete en veilige service voor alle soorten ongedierte

Uw gecertificeerde partner in auditondersteuning

Soorten Mieren

Mieren zijn een groep van kolonievormende sociale insecten, die behoren tot de orde van vliesvleugeligen (Hymenoptera). Mieren hebben zich kunnen aanpassen aan zeer verschillende leefomgevingen. Waar zij voorkomen, zijn mieren de dominante levensvorm op de bodem. Mieren komen vrijwel overal ter wereld voor en zijn daarmee een van de succesvolste diergroepen.

Lees hier meer over de belangrijkste soorten mieren die in België voorkomen — of lees meer over het bestrijden van mieren.

Argentijnse mier

(Linepithema humile)

Uiterlijk

  • De werksters zijn circa 2 mm lang.
  • Licht- tot donkerbruin van kleur.
  • Ze zwermen niet.
  • Ze bijten; ze steken niet.

Ontwikkeling

  • Werksters worden in het voorjaar geboren en ze nemen tot de herfst in aantal toe.
  • Gevleugelde mieren (zich voortplantende koningen en koninginnen) worden eerder dan de werksters, in het vroege voorjaar geboren, zijn binnen drie maanden volwassen en paren kort daarna.
  • Argentijnse mieren paren in het nest, waardoor er geen zwermen te zien zijn.

Leefwijze

  • Werksters volgen voedselsporen over grote afstanden waardoor het niet eenvoudig is de nesten op te sporen.
  • Ze geven de voorkeur aan zoet voedsel, maar eten ook levende en dode insecten, vlees, granen en beschadigd fruit.
  • Argentijnse mieren verjagen andere miersoorten uit hun territorium.

Citronella mier

(Acanthomyops claviger )

Uiterlijk

  • De kleur varieert van lichtgeel tot donker roodachtig-geel of lichtbruin.
  • Werkmieren - 5 mm lang.
  • Zwermers - 3 mm lang.
  • Lijf heeft één knoop.
  • Enkele, rechtopstaande haartjes op de kop, het borststuk en het achterlijf.

Ontwikkeling

  • Zwermen verschijnen aan het eind van de winter en in het voorjaar. Ze worden dan vaak verward met termieten.

Leefwijze

  • Geur - ze produceren een aangename citronellageur wanneer ze worden geplet.
  • Nestbouw – varieert van open bossen, weilanden, tuinen, grasvelden tot naast funderingen van woningen. Soms kunnen er kolonies gevonden worden onder betonplaten, grote stenen of rottende boomstammen. Kolonies hebben hoopjes grond rond de openingen van het nest.

Faraomier

(Monomorium pharaonis)

Uiterlijk

  • Werksters: 1,5 - 2 mm lang, geelbruin met bruin buikstuk.
  • Mannetjesmieren: 3 mm lang, zwart en met vleugels.
  • Koninginnen: 3,5 - 6 mm lang, donkerrood van kleur en met vleugels.
  • Zwarte ogen. 2 kleine segmenten ter hoogte van de taille.

Ontwikkeling

  • Kolonies met meerdere koninginnen.
  • Ze kunnen op elk moment van het jaar uitzwermen.
  • De gevleugelde volwassen dieren vliegen zelden en zijn dus bijna nooit zichtbaar. Kort na het paren vallen de vleugels af.

Leefwijze

  • Er worden duidelijke routes gecreëerd - vaak in de buurt van verwarmingssystemen. Ze voeden zich binnenshuis met proteïnerijk voedsel: vlees, vet, bloed, dode insecten enz.
  • Zwermeigenschappen: nieuwe kolonies worden vaak gevormd wanneer een nest verstoort wordt, bijvoorbeeld wanneer het met insecticiden behandeld werd. Elke koningin legt in de loop van haar leven tot 3500 eitjes.
  • Nestplaatsen: diep verscholen in verwarmde gebouwen. Hebben een voorkeur voor vochtige plaatsen. Het aantal mieren binnen een kolonie kan variëren van enkele tientallen tot 300.000.

Geurige huismier

(Tapinoma sessile)

Uiterlijk

  • Bruin of zwart.
  • 1 tot 3 mm lang.
  • De antennes hebben 12 segmenten en eindigen niet in een knotsvorm.
  • 6 poten.

Ontwikkeling

  • Het duurt 34 tot 38 dagen voordat jonge mieren het volwassen stadium bereiken.
  • Ze leven doorgaans een aantal jaren.

Leefwijze

  • Voedsel - de meeste huishoudelijke voedingsmiddelen vooral suikerhoudende voedingsmiddelen zoals snoepjes, en fruit zoals meloen. Ze eten ook diervoeding.
  • Locatie – ze worden aangetrokken door vocht. In warme en droge omgevingen kunnen nesten worden gevonden in plantenpotten en zelfs in toiletdeksels.
  • Geur - ze produceren een kokosgeur wanneer ze worden geplet.
  • Kolonies - variëren van grootte: 100 tot 10.000 mieren.

Grasmier

(Tetramorium caespitum)

Uiterlijk

  • Donkerbruin tot zwartachtig.
  • 3 mm lang.
  • 6 poten.
  • 2 uitsteeksels op de rug.
  • 2 knopen tussen de rug en het achterlijf.
  • Groeven op de kop en het borststuk.
  • Het borststuk is ongelijkmatig gevormd met 1 paar uitsteeksels.
  • De antennes hebben 12 segmenten met een voelspriet van 3 segmenten.
  • Gevleugelde mieren worden vaak verward met termieten.

Ontwikkeling

  • Ze zijn zichtbaar in het voorjaar en in de zomer.
  • Het is bekend dat ze in verwarmde gebouwen op elk moment van het jaar tevoorschijn kunnen komen.

Leefwijze

  • Voedsel - ze eten bijna alles wat mensen ook eten, en ook diervoeding.
  • Zichtbaar - ze worden gezien als ze huizen binnengaan op zoek naar voedsel, meestal 's nachts. Ze kunnen zich ook door buizen en langs elektrische bedrading verplaatsen.
  • Nestbouw - in grasvelden of onder stenen, hout of planken. Ze bouwen hun mierenhopen langs voetpaden, grondplaten en bij funderingen. Kolonies worden gevormd in de buurt van water.

Houtmier

(Camponotus pennsylvanicus)

Uiterlijk

  • Werkmieren - 6 mm lang.
  • Koningin - 13 mm lang.
  • Meestal zwartachtig van kleur, maar zwart en rood komen ook voor.
  • 6 poten.

Ontwikkeling

  • In het voorjaar verschijnen mierenkolonies.
  • Een kolonie houtmieren kan 3 tot 6 jaar leven.

Leefwijze

  • Locaties - zowel vochtig als droog hout, met de voorkeur voor vochtig hout, bijvoorbeeld hout dat vochtig is geworden als gevolg van waterlekkage.
  • Binnen - graven glad uitziende gangen in hout.
  • Buiten - hollen soms delen van bomen uit.
  • Zichtbaar - gaan voornamelijk 's nachts op zoek naar voedsel, maar in het vroege voorjaar en in de zomer ook overdag.
  • Aanwijzingen zijn o.a. zaagmeel, nat hout en ongebruikelijke geluiden vanuit de wanden.
  • Voedsel - het basisvoedsel bestaat uit honingdauw, maar ze eten ook afscheidingsproducten van planten, vruchtensappen en overblijfselen van insecten. Ze eten geen hout. In woningen worden ze aangetrokken door zoete producten, vet en vlees.
  • Contact - ze komen nauwelijks in contact met mensen, mocht dit toch het geval zijn dan zullen ze proberen te ontsnappen. Ze kunnen niet steken.

Roger’s mier / Tropische staafmier

(Hypoponera punctatissima)

Uiterlijk

  • Roodbruine kleur.
  • Werksters: 2 mm lang.
  • 1 groot segment ter hoogte van de taille.
  • De eerste twee segmenten van het buikstuk zijn smaller.
  • Hebben een angel.

Ontwikkeling

Er is weinig bekend over de levenscyclus.

Leefwijze

  • De werksters gaan willekeurig op rooftocht en maken geen routes omdat ze op levende prooien jagen, vooral op springstaarten.
  • Worden zelden buiten gezien.
  • Zwermeigenschappen: zwermen het hele jaar door uit. De gevleugelde volwassen dieren worden vaak aangetroffen in elektrische insectenlampen.
  • Nestplaatsen: vochtige restanten en afval. Spleten rond afvoerbuizen en achter gebroken muurtegels.

Spookmier

(Tapinoma melanocephalum)

Uiterlijk

  • Donkere kop.
  • De poten en het achterlijf zijn bleek/doorschijnend.
  • 2 mm lang.

Ontwikkeling

  • Continu broedende kolonies.

Leefwijze

  • Voedsel – binnen: zoete producten en vet; buiten: insecten die honingdauw produceren.
  • Nestbouw – binnen: kleine ruimten, openingen in de muur; buiten: in bloempotten, onder voorwerpen die op de grond staan, onder losse schors.
  • Locaties - ze worden aangetrokken door ruimten met een hoge luchtvochtigheid; u kunt ze aantreffen in keuken- en badkamerkasten. Kolonies kunnen nesten op verschillende locaties bewonen.

Vuurmier

(Solenopsis spp)

Uiterlijk

  • Koninginnen: 15 mm lang.
  • Werkmieren: 3–6 mm lang.
  • Koperkleurig op de kop en het lichaam, met een donkerder buikstuk.
  • Solenopsis heeft een heel duidelijke voelspriet in twee segmenten, die het beste zichtbaar is vanuit het vooraanzicht van de reproductieve vrouwtjesmier.

Ontwikkeling

  • Nadat ze het nest verlaten en een partner gevonden heeft, gaat de koningin op zoek naar een geschikte plaats om haar eitjes te leggen. Als ze die gevonden heeft, kan ze tot 125 eitjes leggen in de late lente.
  • De larven komen na 8 tot 10 dagen uit en het popstadium duurt 9 tot 16 dagen.
  • De larven voeden zich met de vloeistoffen die de koningin uit haar speekselklieren afscheidt en met afgebroken vleugelspieren tot de eerste werkmieren tevoorschijn komen. Als deze eerste reeks larven uitgegroeid zijn tot werkmieren, wordt de rol van de koningin opnieuw beperkt tot het leggen van eieren – ze kan tot 1500 eitjes per dag leggen. De werkmieren zorgen voor de larven, bouwen het nest en verzamelen het voedsel.
  • Later in het seizoen worden mannelijke mieren geproduceerd.

Leefwijze

  • De voeding van de mieren die het voedsel zoeken, bestaat uit dode dieren, zoals insecten, aardwormen en geleedpotigen. De werkmieren verzamelen ook honingdauw en gaan op zoek naar zoet voedsel, proteïnen en vet.
  • Zwermeigenschappen: de koninginnen en vruchtbare mannetjes paren tijdens de bruidsvlucht van het midden tot het einde van de zomer. De mannetjes sterven na het paren.
  • De nesten kunnen bestaan uit een hoop aarde van tot 40 cm of vormen zich naast voorwerpen die op de grond liggen, zoals houtblokken.
  • Als ze worden aangevallen, reageren ze agressief en kunnen ze een pijnlijke steek geven, die ongeveer 48 uren later de vorm van een puistje aannemen.
  • Deze mieren zijn een belangrijk stedelijk en landbouwprobleem omdat ze oogsten vernielen en woongebieden zowel binnen als buiten teisteren.

Wegmier

(Lasius niger)

Uiterlijk

  • Werksters: 4 - 5 mm lang.
  • Koninginnen: 15 mm lang.
  • Donkerbruin tot zwart van kleur.
  • 1 klein segment ter hoogte van de taille (knoop).
  • Geen angel.

Ontwikkeling

  • De koninginnen overwinteren in de grond. De eitjes worden aan het einde van de lente gelegd.
  • De larven komen 3 à 4 weken later uit. De larven voeden zich met de vloeistoffen die de koningin uit haar speekselklieren uitscheidt tot de eerste werksters tevoorschijn komen.
  • De werksters zorgen voor de larven, bouwen het nest en verzamelen het voedsel.
  • Later in het seizoen worden mannelijke mieren geboren.

Leefwijze

  • Voedselzoekende werksters volgen duidelijk vastgelegde routes rond voedselbronnen. Ze verkiezen zoete voedingswaren, maar ook proteïnerijk voedsel wordt meegenomen.
  • Zwermeigenschappen: de koninginnen en vruchtbare mannetjes paren tijdens de bruidsvlucht van het midden tot het einde van de zomer. De mannetjes sterven na het paren.
  • Nestplaatsen: vaak buiten - in de grond en onder bestrating aan de zonnige kant van gebouwen. De aanwezigheid van fijngemalen aarde rond de uitgangen van het nest verraadt vaak de aanwezigheid van een nestplaats.